Gezondheids- en sociale zorg

Gezondheids- en sociale zorg

Door de smalle economische basis waarop het leven van de Goirlese wevers zich afspeelde, was maar weinig tegenslag nodig om afhankelijk te worden van het armbestuur. In het begin van de 19e eeuw kampte Goirle met een structurele werkeloosheid. In 1845 sloeg in geheel West-Europa de aardappelziekte toe en tot 1862 ging ook in Goirle de aardappeloogst regelmatig verloren. Als in l846 ook de rogge-oogst mislukt, is het gewone volksvoedsel bijna niet meer te betalen en neemt de armoede nog verder toe, omdat ook de prijzen van de andere levensmiddelen stegen. Ziekte, ouderdom en werkeloosheid konden iemand aan de bedelstaf brengen, maar ook incidentele rampen zoals branden of het overlijden van de kostwinner waren er vaak de oorzaak van dat een beroep gedaan moest worden op het armbestuur. Tot in de Franse tijd was de zorg voor de armen een taak van het plaatselijke armbestuur dat de naam ‘H. Geesttafel’ droeg. Daarna werd deze zorg overgenomen door het burgerlijk armbestuur, in Goirle bestaande uit drie bestuursleden, dorpsnotabelen, die ook vaak gemeenteraadslid waren. Zijn inkomsten verkreeg dit college niet alleen door maandelijkse collectes en particuliere giften, maar ook uit rente en pachten van onroerende goederen. Pas in het uiterste geval en ‘alleen aan die welke volstrekt buiten staat zijn tot werken’ werd ondersteuning gegeven, die meestal bestond uit goederen in natura of het betalen van de huishuur.

In 1867 werd de Goirlese afdeling van de St. Vincentiusvereniging opgericht ‘die geene vaste bedeling verleent, maar zich voornamelijk ten doel stelt om arme huisgezinnen te bezoeken voor het bevorderen van godsdienst, zedelijkheid, orde, reinheid en oppassendheid’. In 1894 ging deze vereniging samenwerken met het burgerlijk armbestuur. Door dit college werden voor de oorlog gemiddeld zo’n 30 gezinnen per jaar gesteund. Vlak na de oorlog liep dit terug tot de helft, waarbij wordt opgemerkt dat de nieuwkomers eerder een beroep deden op deze instelling dan de vanouds gevestigde families.

Daarnaast bestond in de 19e eeuw de St. Elisabethvereniging, een parochieel georganiseerde vereniging van vrouwen voor het verlenen van materiële hulp aan arme weduwen, zieke vrouwen en kraamvrouwen. Deze vereniging werd in december 1902 heropgericht en verleende toen ook thuishulp. In die zin is het een voorgangster van de ‘gezinshulp’, opgericht in de oorlogsjaren door de Goirlese pastoors. Deze organisatie, waarbij l2 meisjes werkzaam waren, was tevens bedoeld om de ADM (Arbeidsdienst Meisjes) de wind uit de zeilen te nemen. Na de oorlog, in 1948, werd door de pastoors Van Riel en Pessers de Stichting Gezinszorg opgericht.

Voor het bestrijden van de dronkenschap, en de vaak daarmee samengaande armoede, werd in Goirle op 13 april 1897 het kruisverbond St. Bernardus opgericht.

Gezondheidszorg
Door het uitbreken van de besmettelijke ziekte ‘de rode loop’ stierf in 1794 in enkele maanden tijd 1/10 deel van de Goirlese bevolking. Ook in de negentiende eeuw zouden vooral de armen nog vaak getroffen worden door besmettelijke ziekten als cholera, waarom in 1866 de kermis geen doorgang vond, tyfus, waaraan tot 1900 inwoners bezweken, en pokken.

In 1871 waren er in Goirle 27 poklijders, waarvan er 11 overleden. Aan de mazelenepidemie in 1908, stierven binnen l4 dagen tijd 60 patiënten, allen uit de arbeidersklasse.
Oorzaken waren o.a. het gebrek aan hygiëne – vaak moesten meerdere gezinnen gebruik maken van dezelfde waterput of van één primitief toilet – slechte voeding en ongezonde woonomstandigheden. Gebrek aan lucht en licht en het stof dat verspreid werd door de weefgetouwen veroorzaakten bovendien vaak longziekten, tijdens de jaren 1889-1891 in 42,7% de oorzaak van alle sterfgevallen.

Ook de kindersterfte was in Goirle zeer hoog. In de jaren 1875-1900 overleed ongeveer een kwart van de kinderen voor het bereiken van het eerste levensjaar, wat beduidend hoger was dan het landelijke gemiddelde in die tijd.

Als er een dokter nodig was, werden artsen uit omliggende plaatsen geroepen, bijvoorbeeld uit Tilburg of  Hilvarenbeek, maar ook wel de bekende dokter Raupp uit Bergeijk. Tussen 1858 en 1871 werden bijna al de bevallingen in Goirle gedaan door Piet de Lang uit Hilvarenbeek.

Dr-Jacobus-Huijsmans
Jacobus Huijsmans werd geboren te Oosterhout op 16 januari 1832 en overleed te Poeldijk op 9 juli 1917. In 1873 werd Huijsmans de eerste gemeente-arts van Goirle voor een jaarwedde van 600 gulden en vrije woning. In 1881 verliet hij Goirle.

Pas in 1873 kreeg het dorp een eigen gemeente-arts in de persoon van Jacobus Huijsmans, voor een jaarwedde van fl. 600. Hij werd in 1881 opgevolgd door Johannes Dominicus van den Heuvel, die een nieuwe gemeentewoning aan de Kerkstraat betrok en daar in 1890 overleed. Het duurde tot juli 1893 voordat een nieuwe arts werd aangesteld, de legendarische Johan Hendrik Costerman Boodt uit Renswoude. Toen in 1925 dokter Daniëls werd aangesteld als nieuwe gemeente-arts, werd Costerman Boodt min of meer gedwongen ontslag te nemen en ondernam hij een zelfmoordpoging. ‘In het belang van den lijder’ werd hij op 31 juli 1925 opgenomen in het gesticht Coudewater te Rosmalen, waar hij in 1928 overleed.

In 1935 kreeg Goirle een tweede arts, E.M. Ausems, die zich vestigde aan de Tilburgseweg en in 1945 zijn praktijk overdeed aan W.Th. van Iersel, die werd opgevolgd door F. Schräder. De praktijk van gemeente-arts Daniëls werd in 1949 overgenomen door B. Leeuwenberg. In 1970 telde het dorp vier huisartsen, een apotheker en een tandarts.

Het Wit-Gele Kruis
Volgens de overeenkomst tussen het kerkbestuur en de zusters van het Kostbaar Bloed werd een van hun taken ‘het opnemen van besmettelijk zieken, mannen en vrouwen’, waarbij ‘de inwoners van Goirle voor anderen in aanmerking komen’. In het klooster werd een lokaal ingericht voor de verpleging van deze doelgroep, maar tot 1890 werden tyfuspatiënten ook thuis door de zusters verzorgd. Pas in 1914 werd door de Vereniging Charitas een vaste wijkverpleegster aangesteld, Maria Anna Willems uit Amsterdam, die echter spoedig overleed aan een hartkwaal. Charitas smeekte de zusters de wijkverpleging op zich te nemen, maar zij weigerden, totdat de fabrikantenfamilie Van Puijenbroek in l9l6 dreigde opnieuw een verpleegster uit Amsterdam te laten komen, ‘al was zij joodsch of protestant’. Door toedoen van de pastoor waren de nonnen nu wel bereid de wijkverpleging op zich te nemen.

Kraamverzorgerster-Brouwers
Kraamverzorgster Anna Catharina Brouwers (1887-1964) was in dienst bij de vereniging Charitas en later bij het Wit Gele Kruis afdeling Goirle.

In de plaats van de Vereniging Charitas werd in 1923 op initiatief van pastoor Peters de Goirlese afdeling van het Wit-Gele Kruis opgericht. In een overeenkomst met de zusters werd vastgelegd, dat zij in de wijkverpleging werkzaam zouden blijven, ‘in overeenstemming met de constituties, het huishoudelijk reglement en de voorschriften van het bestuur der vereeniging ’t Wit-Gele Kruis’. Door deze vereniging werden ook twee kraamverzorgsters in dienst genomen, die eerder werkten voor de Vereniging Charitas. Door het zogenaamde damescomité werd de kraamzorg in de crisistijd gereorganiseerd. In 1937 werd gratis hulp verleend vanaf het vijfde kind indien het weekloon van de vader minder bedroeg dan fl. 17,50. Pas op l6 december 1960 betrok het Wit-Gele Kruis een nieuw gebouw aan de Thomas van Diessenstraat. Daarvoor was de vereniging gehuisvest in verschillende lokalen.

Gezondheidszorg in ‘de Boschkens’

Dicht bij de grens met Tilburg in het gebied de Boschkens, kwam een aantal inrichtingen tot stand, die praktisch buiten de Goirlese samenleving stonden. Aan de latere Dr. Keyzerlaan werd op 7 mei 1933 de eerste steen gelegd van het tweede kleuterdagverblijf in Nederland, ‘Kleuterheil’. Het verblijf werd op 30 augustus 1933 geopend door de Tilburgse burgemeester Vonk de Both. Zieke en herstellende kinderen konden ‘in de bosrijke omgeving de gehele dag in de openlucht doorbrengen, hun middagslaapje doen en een goede gemengde voeding krijgen, waarbij aan groente en vruchten een ruime plaats is ingeruimd’. De leiding werd opgedragen aan de zusters Franciscanessen van de H. Familie, die in augustus 1945 vertrokken. Nadat de leiding enkele jaren in handen van leken was geweest, kwamen er in 1953 weer kloosterzusters, nu van de congregatie van de Dochters van OLV van het H. Hart. Kleuterheil werd een groot succes. Op 10 maart 1942 werd het duizendste kind opgenomen.

kleuterheil1
Medisch kinderdagverblijf Kleuterheil. Verplegend personeel met kleuters aan het middagmaal.

Aan de dr. Keyzerlaan kwam na de oorlog de openluchtschool Domenico Savio tot stand en het kinderdorp St. Godelieve, een herstellingsoord voor grotere kinderen. Reeds in 1952 onstond het plan voor de bouw van dit zogenaamde B-koloniehuis. Op 1 mei 1957 werd het eerste kind opgenomen. Ter gelegenheid van de viering van het vijftigjarig bestaan van Kleuterheil in 1983, werden de genoemde instellingen bezocht door koningin Juliana.

Aan de Tilburgseweg werd op 1 september 1945 villa De Bocht in gebruik genomen als doorgangshuis voor ongehuwde moeders. De villa, die was gebouwd als buitenverblijf voor de familie Van Dooren-Hermans, werd in 1931 eigendom van de R.K. Centrale Jeugdorganisatie te Rotterdam om dienst te gaan doen als vakantieoord. Vanaf 1933 werden er werkkampen gehouden voor jeudige Rotterdamse werkelozen. Tijdens de oorlog werd de villa eerst in gebruik genomen door de vrouwelijke arbeidsdienst en later door vrouwelijke leden van de Duitse Luftwaffe Abwehr.

De leiding van het tehuis voor ongehuwde moeders kwam in 1949 in handen van de congregatie van H. Familie, waarna ook de kraamafdeling Moedervreugd aan De Bocht werd verbonden, later uitgegroeid tot kraamkliniek voor Midden-Brabant ‘De Meiboom’. Met de nieuwbouw van De Bocht, gestart in september 1965, verdwenen de laatste resten van de villa van de familie Van Dooren.

De bejaardenzorg

Toen de zusters van het Kostbaar Bloed in 1880 naar Goirle kwamen, beloofden zij ook plaats te bieden aan oude, zieke of gebrekkige vrouwen, die met goedvinden van de pastoor zouden worden opgenomen of ‘vrijgelaten’, bijvoorbeeld als zij ‘door een onstichtend gedrag tot ergernis der anderen dienen, of de eendragt merkelijk storen’. Aanvankelijk kwam hier weinig van terecht. Het opnemen van arme bejaarden was niet rendabel en mannen of echtparen werden niet geaccepteerd. De weinige bejaarden in Goirle die niet door hun eigen kinderen verzorgd werden, gingen vooral naar het St. Jozefgesticht in Tilburg of het Adrianusgesticht in Hilvarenbeek. Wel werden enkele, goedbetalende, kostdames opgenomen: Jans van Enschot, Marie van Besouw en Mieke Versteden.

Klooster-Bergstraat
Het St. Elisabethgesticht aan de Bergstraat in 1922. Achter het gesticht het klooster van de congregatie der liefdezusters van het Kostbaar Bloed.

Pas in 1927 werden weer enkele oude vrouwen opgenomen, maar het duurde tot 1932 voordat er in Goirle een echt tehuis kwam voor ouden van dagen, het St. Elisabethgesticht, gevestigd in de pastorie van pastoor Peters en het voormalige hotel De Kroon aan de Bergstraat. Er waren drie klassen: een eigen kamer voor één echtpaar, man en vrouw gescheiden maar gehuisvest op een kamer met slechts twee of drie personen, en de derde klasse, mannen en vrouwen gescheiden op zalen. Hier kwamen vooral de bejaarden terecht die op kosten van het armbestuur of de gemeente waren opgenomen voor twee kwartjes per week en de verplichting om twee uur per dag te helpen, bijvoorbeeld bij het schillen van de aardappelen. Daarnaast kende het Elisabethgesticht een kleine ziekenafdeling.

In 1937 kon in de nieuwe parochie grond gekocht kon worden van de familie Anssems. De zusters hadden wel belangstelling en vroegen goedkeuring voor de koop aan de bisschop. Op het perceel kon een tweede klooster gebouwd worden met een pension ‘daar het St. Elisabethgesticht niet geschikt is om personen van verschillende standen te verenigen’. Als de bisschop niet zou antwoorden, zagen de nonnen hierin een vingerwijzing Gods en zou de koop niet doorgaan. De bisschop reageerde niet.

Het Elisabethgesticht bleef in zijn oude vorm bestaan tot 1963. 

Op 3 februari 1962 werd de eerste steen gelegd van het nieuwe bejaardenhuis ‘Vennerode’, dat op 31 augustus 1963 in gebruik werd genomen. De verzorging kwam in handen van drie zusters van H. Familie met medewerking van acht leken. Het huis was spoedig te klein, zodat in 1969 een dependance, bejaardenpaviljoen Vennerode, aan de Henri Dunantstraat in gebruik moest worden genomen. Vóór de bouw van het tweede bejaardencentrum, De Schakel, aan de Wittendijk, waren ook bejaarden gehuisvest in de villa van de familie Peijnenborg aan de Tilburgseweg, nu restaurant De Hovel.

Vennerode
Bejaardenhuis Vennerode aan de Venneweg.

Het oude St. Elisabethgesticht kreeg de bestemming van streekverpleeghuis, waarvoor op 26 november 1960 de stichting St. Elisabeth Verpleeghuis in leven werd geroepen. Twee jaar later werd de nieuwbouw op de plaats van het oude gesticht goedgekeurd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. De eerste-steenlegging vond plaats op 19 november 1965. De nieuwbouw, ontworpen door architect Van Gool, werd officiëel geopend op 18 januari 1969.

De geschiedenis van Goirle is beknopt beschreven. De tekst komt uit: Jef van Gils en Ronald Peeters, ‘Een eeuw Goirle 1870-1970′ (Goirle, Boekhandel Soeters, 1992), 200 blz. ISBN 90-801208-1-2 (copyright).