De middenstand

 [magz_one_half]Tot de eeuwwisseling naar de 20e eeuw was er in Goirle vrijwel geen sprake van een middenstand. Zowel door boeren, arbeiders en fabrikanten werd winkel gehouden als nevenbedrijf, maar door het stelsel van de gedwongen winkelnering, verplichtten de fabrikanten hun werknemers om in hun winkels te kopen, zodat de omzet van de andere winkeliers maar klein geweest moet zijn, vooral daar in de winkels van de werkgevers ook brood, textiel en klompen verkocht werden. Toen, na de afschaffing van de gedwongen winkelnering, door Jan van Besouw de coöperatieve winkel Rerum Novarum werd opgericht met als doel ‘het verschaffen van kleding en levensmiddelen op de meest gunstige voorwaarden’, was dat een zegen voor de arbeiders, maar een nieuwe klap voor de neringdoenden.
Ook ambachtelijke beroepen werden in de 19e eeuw vaak uitgeoefend als nevenbedrijf. Zo was koster Van de Pol ook kaarsenmaker, burgemeester Van Gorp tevens bakker en rietmaker en Cornelis Rens naast fabrikant in weversbenodigdheden ook ‘photografist’, terwijl fabrikant Peerke van de Lisdonk daarnaast de kost verdiende als timmerman/aannemer.
Op het einde van de negentiende eeuw bestond de middengroep in de Goirlese samenleving uit kleine fabrikanten en linnenkooplieden, het hoofd van de openbare school, enkele smeden en de molenaars.

Ook het houden van een herberg was in de meeste gevallen een bijverdienste, dus de herbergiers vinden we eveneens bij alle beroepen en standen. Zo was wagenmaker Stads ook tapper en combineerde de familie Anssems gedurende een eeuw het landbouwbedrijf met een herberg.

anssems
Pand Dorpsstraat 1, voorheen de herberg van de familie Anssems en daarna van Harrie Smits. In 1956 kreeg het pand een nieuwe eigenaar, Sj. Kruijssen, die er hotel-café Benelux opende. Tegenwoordig is hier Café D’n Brands gevestigd

In 1906 werden op maar liefst 27 plaatsen in Goirle alcoholhoudende dranken getapt. Bekende locaties in die tijd waren hotel De Kroon, café De Nijverheid, café Den Engel van Bet Puij, de cafés van Bet de Vries en A. Snels en de herbergen van Anssems en Spapens.

ijsco
Dorus Couwenberg, winkelier aan de Bergstraat 68 in Goirle, handelde o.a. in steenkool en ijs. Daarnaast was hij raadslid. Op de foto zijn ijskar. Volgens het opschrift op deze kar verkocht hij vanilleijsjes van 2, 3, 5 en 10 cent.

Pas na de Eerste Wereldoorlog zit er echt groei in het winkelbedrijf en komen zaken tot stand als ‘Radio-Centrale Goirle’ van Pierre van Gils en de ‘Goirlesche Steenkolenhandel’ van Dorus Couwenberg.

De r.k. Middenstandsbond van Goirle werd op 28 april 1933 opgericht ten huize van Louis van de Laar, die de eerste voorzitter werd.
In 1938 organiseerden 62 leden van deze bond de eerste middenstandstentoonstelling in het dorp. Dit gebeuren vond plaats in een tent bij het bondsgebouw en heette ‘Gomito’. De opening geschiedde op 30 april met een optocht ‘als hulde aan prinses Juliana op haar verjaardag’.

De molens

Rond 1900 worden de molenaars in Goirle gerekend tot de middengroep, maar vóór die tijd hebben zij zeker gehoord tot de dorpsnotabelen. In de Kempische dorpen werden zij als zodanig in een adem genoemd met de schoolmeester, de bierbrouwer en de pastoor. Ook in Goirle zullen de molenaars een belangrijke schakel vormen in de gemeenschap als arm- en kerkmeester en in de herberg van molenaar Benedictus de Visscher werd in 1819 het St. Sebastiaangilde opgericht. 

Van de molens in Goirle was de watermolen de oudste. Hij wordt al genoemd in 1331 bij de uitgifte van de gemeijnt aan Hilvarenbeek en stond bij de Wachtelberg aan de Leij. In 1605 werd hij eigendom van Huybrecht van Malsen, heer van Tilburg en Goirle. Later kwam hij in handen van de volgende heer van de heerlijkheid, Antonij Schets baron van Grobbendonck, die in 1623 de helft verkocht aan molenaar Hendrick Jansen van Dijck en de andere helft aan diens zwager Adriaen Alewijns. Het gebouw werd in die tijd omschreven als ‘twee watermolens onder een dak met heure toebehoirten, waarvan d’ een is een corenmolen en de ander een olieslachmolen’.

watermolen-goirle
De watermolen van Goirle wordt voor het eerst genoemd in een charter uit 1331, waarin hertog Jan van Brabant en Rogier van Leefdael “alle gemeijnte ende woestijne” van het buurtdorp Hilvarenbeek aan de ingezetenen van die plaats in gebruik geven. De oudst bekende molenaar, genoemd in 1430 was “Aert die molner”. Van 1473 tit 1533 was de molen in handen van de familie Bac, die behoorde tot de lokale adel. Later zal de molen eigendom worden van de heren van de heerlijkheid Tilburg en Goirle. De molenaars is deze periode waren dus steeds pachter van de molen. In de loop van de 19e eeuw kwam de molen in handen van de Goirlese molenaarsfamilie De Visscher. Gerardus Benedictus de Visscher was de laatste eigenaar van de watermolen. Hij heeft de molen bemalen tot 1903. Op 28 januari 1903 verkocht hij de molen aan zijn schuldeiser, Johannes Botermans, steenbakker te Gilze. Als bouwwerk bleef de molen nog jaren staan: in 1911 werd de bestemming magazijn, zes jaar later werd het bouwwerk verkocht aan fabrikant Eduard van Puijenbroek, die de voormalige watermolen liet slopen.

Door koop werd Van Dijck in 1637 eigenaar van de hele watermolen, die hij in 1654 verpachtte aan zijn schoonzoon Adriaan Crols. Zelf bouwde hij in 1651 een standaardmolen aan de Abcovenseweg, die dienst deed tot 1876. Het perceel op Abcoven bij de Van Haestrechtstraat bleef nog lang bekend als ‘de meulenekker’.

De watermolen werd in 1712 weer eigendom van de heren van de heerlijkheid. Eerst van prins Willem van Hessen Kassel en later van de graven Van Hogendorp, die ook mede-eigenaar werden van de korenmolen op Abcoven.[/magz_one_half] [magz_one_half_last]Op het einde van de 18e eeuw werd Benedictus de Visscher pachter van de watermolen en in 1813 ook van de Abcovense molen. De laatstgenoemde molen werd in 1830 voor de helft eigendom van zijn zoon Jan de Visscher. Zijn kleinzoon Benedictus de Visscher werd eigenaar van zowel de water- als de standaardmolen, maar in 1876 kocht hij voor 270 Gulden van landbouwer Antonij Boomaars een akker aan de Groeneweg, waarop een nieuwe windmolen werd gebouwd. Na afbraak van de oude molen werd ‘de meulenekker’ eigendom van bakker Willem Verhof uit Tilburg. Bij de boedelscheiding in 1884 werd zoon Gerardus de Visscher eigenaar van de twee molens, maar door oplopende schulden moesten de onroerende goederen verkocht worden. De watermolen kwam in 1903 in handen van J. Botermans, steenfabrikant te Gilze, die nog datzelfde jaar aan de Gedeputeerde Staten verzocht om de molen aan zijn bestemming te mogen onttrekken. Het gebouw werd daarna verkocht aan fabrikant E. van Puijenbroek en afgebroken.

Molen-De-Visscher
Molen De Visscher, gebouwd in 1876 op een perceel grond aan de Groeneweg, in 1876 door Benedictus de Visscher gekocht van landbouwer Antonie Boomaars. Enkele jaren na het overlijden van de vrouw van De Visscher, Catharina van Besouw, (1828-1881) volgde een boedelscheiding, waarbij de molen in handen kwam van zoon Gerardus Benedictus de Visscher. Hij belastte de molen met zware hypotheken, wat leidde tot een faillissement. In 1912 vertrok G.B. de Visscher naar Rotterdam. De molen met woonhuis en graanhandel werden in dat jaar publiek geveild in de herberg van Anssems. De molen met graanhandel werd gekocht door de landbouwers Cornelis Petrus Moonen, Johannes M.J. Oerlemans en Petrus A.J. de Brouwer. Neef en molenaar Ben de Visscher werd in 1920 eigenaar van 2/3 deel door koop van Oerlemans en de weduwe Moonen-van Erven. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kocht De Visscher het resterende 1/3 deel van Piet de Brouwer. Later zou de familie De Visscher de molen verkopen aan de gemeente Goirle.

De molen aan de Groeneweg kwam in handen van genoemde Botermans, wethouder A. de Brouwer en C. Moonen. Molenaar werd Benedictus de Visscher, een neef van Gerardus de Visscher. Rond 1940 werd De Visscher eigenaar van de hele molen. In 1961 werd het gebouw verkocht aan de gemeente Goirle.

brand-molen-de-visscher
Op oudejaarsnacht 1936 brandde de molen aan de Nieuwe Rielseweg geheel uit. De molen werd gebouwd in 1898 door Lenard Kouwenberg. In 1936 verkocht Kouwenberg de molen aan Pauw van Rijswijk, geboren te Hilvarenbeek op 27 april 1907. De molen is na de brand herbouwd door Van Tartwijk uit Eindhoven.

De molen aan de Nieuwe Rielseweg werd pas gebouwd in 1898, nadat op 19 februari 1898 een bouwvergunning was gevraagd door Leonardus Kouwenberg uit Hilvarenbeek.

In de oudejaarsnacht 1936/1937 werd deze molen door brand vernield, maar weer opgebouwd door H.P.J. van Rijswijk, die eigenaar was geworden in 1936.
n de Nieuwe Rielseweg. Na de brand in 1936 werd de molen gerestaureerd, maar volgens een rapport van begin jaren zeventig is de molen “uitwendig vervallen, inwendig verwaarloosd”. In 1967 werden de herstelkosten geraamd op 55.000 gulden. In 1976 werd de molen eigendom van de gemeente Goirle, die ook de restauratie ter hand nam. In 1987 kreeg de molen de naam “de Wilde”, een verwijzing naar de laatste beroepsmolenaar op deze molen, Jo de Wilde.

molen-de-wilde
Molen “de Wilde” aan de Nieuwe Rielseweg. Na de brand in 1936 werd de molen gerestaureerd, maar volgens een rapport van begin jaren zeventig is de molen “uitwendig vervallen, inwendig verwaarloosd”. In 1967 werden de herstelkosten geraamd op 55.000 gulden. In 1976 werd de molen eigendom van de gemeente Goirle, die ook de restauratie ter hand nam. In 1987 kreeg de molen de naam “de Wilde”, een verwijzing naar de laatste beroepsmolenaar op deze molen, Jo de Wilde.

De geschiedenis van Goirle is beknopt beschreven.

De tekst komt uit: Jef van Gils en Ronald Peeters, ‘Een eeuw Goirle 1870-1970′ (Goirle, Boekhandel Soeters, 1992), 200 blz. ISBN 90-801208-1-2 (copyright).[/magz_one_half_last]

error: Content is protected !!