De Leij

De Leij

[one_half last=”no”]

De Leij ontspringt eigenlijk op twee plekken: als Poppelsche Leij (of Leijbeek) op de Poppelse Hei in het zuiden van de gemeente Alphen-Chaam, op of net over de Belgische grens. En als Rovertsche Leij in Hilvarenbeek op het landgoed Gorp en Roovert.

Rovertse-Leij

In Goirle, bij de Leyenhoeve, komen deze twee stroompjes bij elkaar en vormen daar de Nieuwe Leij.

Nieuwe-Leij

Even ten zuidoosten van Tilburg voegt zich daar ook de Oude Leij bij, en zo gaat het stroompje verder als De Leij, door het Leijpark, langs Koningshoeven in de richting van het Wilhelminakanaal. Daar duikt de beek onder het kanaal door, en komt aan de andere kant weer boven als Voorste Stroom.

De Poppelsche Leij en de Rovertsche Leij verschillen sterk van elkaar in karakter. De Rovertsche Leij is weinig vergraven en slingert nog geheel natuurlijk door het bos. Eenmaal buiten het landgoed Gorp en Roovert is de beekloop rechtgetrokken. De Poppelsche Leij is daarentegen veel meer een overloop van een serie vennen en moerassen aan de rand van de Rechte Heide. Deze beek heeft nooit sterk gemeanderd en is daarbij ook nog eens door mensenhand naar de rand van het beekdal verlegd. Daar was het immers eenvoudiger graven dan midden in het moeras. Het water werd zo opgeleid dat het kon worden ingezet voor de watervoorziening van een watermolen.

De eerste watermolen lag aan de Wachtelberg. De naamgever van de Bergstraat is niet de Wachtelberg, maar de bergen (bergjes) die wat verderop lagen en die afgegraven zijn rond 1898 t.b.v. van de bouw van de St.Janskerk aan de Kerkstraat.] en is in 1331 gebouwd. Het molenrecht behoorde aan de Heren van Tilburg, Goirle en Riel en werd uitgegeven aan een molenaar die zelf zorgde voor de exploitatie van de molen. Die had een dubbele functie, namelijk die van korenmolen en van oliemolen.[/one_half]
[one_half last=”yes”]

watermolen-goirle
watermolen-goirle De watermolen van Goirle wordt voor het eerst genoemd in een charter uit 1331, waarin hertog Jan van Brabant en Rogier van Leefdael “alle gemeijnte ende woestijne” van het buurtdorp Hilvarenbeek aan de ingezetenen van die plaats in gebruik geven. De oudst bekende molenaar, genoemd in 1430 was “Aert die molner”. Van 1473 tit 1533 was de molen in handen van de familie Bac, die behoorde tot de lokale adel. Later zal de molen eigendom worden van de heren van de heerlijkheid Tilburg en Goirle. De molenaars is deze periode waren dus steeds pachter van de molen. In de loop van de 19e eeuw kwam de molen in handen van de Goirlese molenaarsfamilie De Visscher. Gerardus Benedictus de Visscher was de laatste eigenaar van de watermolen. Hij heeft de molen bemalen tot 1903. Op 28 januari 1903 verkocht hij de molen aan zijn schuldeiser, Johannes Botermans, steenbakker te Gilze. Als bouwwerk bleef de molen nog jaren staan: in 1911 werd de bestemming magazijn, zes jaar later werd het bouwwerk verkocht aan fabrikant Eduard van Puijenbroek, die de voormalige watermolen liet slopen

Voor de korenmolen werd de constante wateraanvoer van de Rovertsche Leij gebruikt. Voor de oliemolen was meer waterkracht in minder tijd nodig. Hiervoor werd het water gebruikt dat uit de moerassen via de Poppelsche Leij toevloeide. Na de watermolen stroomt de beek verder als de Oude Leij en Nieuwe Leij. De Nieuwe Leij is eveneens omgeleid. Eerst ten behoeve van een watermolen bij het Grollengat en later om een systeem van vloeiweides mogelijk te maken. Door bevloeiing van graslanden kon hier een hogere hooiopbrengst worden verkregen en kon er meerdere keren per jaar worden gehooid. De Oude Leij vormde van oudsher de grens van de gemeenschappelijke gronden (gemeint) van Hilvarenbeek.

De Leij heeft tegenwoordig de functie van waternatuur en viswater. Aan één kant van de Rovertsche Leij, ter hoogte van de Poppelseweg, staat zogenaamd beekbegeleidend bos. Dit behoort tot de meest waardevolle broekbossen van midden-Brabant.

Bron: Brabants Historisch Informatie Centrum[/one_half]

error: Content is protected !!