De landbouwers

[magz_one_half]Het aantal landbouwers in Goirle is nooit erg hoog geweest. In 1665 leefde 40% van de Goirlese beroepsbevolking van de landbouw, in 1797 maakte het aantal boeren, boerenzonen, –knechten, en ‘gewezen boeren’ 38% uit van de beroepsbevolking.
In 1870 was het aantal landbouwers als hoofden van huishoudens, afgezet tegen de totale beroepsbevolking, slechts 14,5%. Van de totale beroepsbevolking in 1890 was maar 19% werkzaam in de landbouw. Goirle kende toen 52 boerenhuishoudens. Desondanks maakten de boeren zeker tot omstreeks 1850 de dienst uit in de gemeenteraad. Tot 1870 was hun inkomstenpeil het hoogste en was hun welstand dus groter dan die van het merendeel van de bevolking.

abcweg
Door ruil tegen grond in de gemeente Tilburg met Francis van Iersel, kwam Nicolaas Boogers, getrouwd met Klazien de Lepper, in 1818 in het bezit van een boerderij aan de Abcovenseweg op de hoek van de Molenweg (nu Van Haestrechtstraat). Na de dood van Boogers kwam de boerderij in het bezit van zijn schoonzoon Petrus de Brouwer, landbouwer in de wijk Oerle onder Tilburg, gehuwd met Catharina Bo(o)gers. Op 31.12.1852 verhuisde Piet de Brouwer met zijn gezin naar Goirle. Bij de erfdeling in 1883 werd de hoeve eigendom van de kinderen Maria Elisabeth, Willem en Jan de Brouwer. Door koop van een naastgelegen arbeiderswoning van smid Jan Baptist van Croonenburg, werd het bezit uitgebreid. De oude boerderij en het arbeidershuis werden afgebroken en in de jaren 1897/1898 werd ter plaatse een nieuwe boerderij (op de foto) gebouwd. Volgens een mededeling van Toon de Brouwer kwam de put van de oude boerderij te liggen onder de kelder van de nieuwe boerderij. Nadat Marie Elisabeth de Brouwer op 14 april 1898 in die put verdronken was, en broer Willem de Brouwer, (alias Willem de kas) trouwde met Dien Soffers, bleef vrijgezel Jan de Brouwer, landbouwer en bestuurslid van het burgerlijk armbestuur, alleen op de boerderij wonen, tot in 1917 zijn neef Sjef de Brouwer trouwde met Jans Vromans uit Tilburg en het bedrijf overnam. Jan de Brouwer overleed te Goirle op 17 januari 1920. Na Jan woonde op de boerderij dus neef Sjef de Brouwer en daarna diens zoon Toon de Brouwer. De staldeur van de nieuwe boerderij is later dichtgemetseld. Van de oude boerderij bleef alleen het bakhuisje aan de Van Haestrechtstraat bewaard

De verschillen in rijkdom waren onderling niet groot. In 1890 bezat 3/4 van de Goirlese landbouwers een bedrijf tussen de 5 en 10 ha. In de dorpsgemeenschap rekenden zij zich niet tot de hoogste stand, maar tot het gewone volk, ofschoon zij nooit zouden trouwen met iemand uit de arbeidersklasse. Het verschil met de rest van de bevolking werd niet zo zeer bepaald door het bewustzijn van bepaalde voorrechten, maar door een eigen levensstijl. In het boerengezin werd zeer zuinig geleefd. De keuze van een huwelijkspartner uit de eigen groep had te maken met de inbreng van geld en grond en daarbij werd nog lang het zogenaamde agrarisch-ambachtelijke huwelijkspatroon gevolgd, wat betekent dat pas op vrij hoge leeftijd getrouwd werd.

Een ander opvallend verschijnsel bij de boerenbevolking is, dat maar enkele oude Goirlese families er deel van uitmaken; slechts één tak van de familie Van de Pol en één tak van de familie Van Erven. De meeste boerenfamilies in de 19e eeuw waren nieuwkomers, vooral afkomstig uit Tilburg. In 1890 was van ruim 2/3 deel van de boerenechtparen of de man, of de vrouw, elders geboren. In 1930 was van de boeren bijna 72% van buiten Goirle afkomstig.

Het boerenbedrijf

Tot ver in de 19e eeuw werd door de boeren gebruik gemaakt van de gemeijt om het vee te weiden. De koeien keerden iedere avond terug naar de potstal, maar ondanks dat was er een tekort aan mest, zodat de akkers betrekkelijk klein waren. De beemden dienden vooral als hooiland, maar door het tekort aan hooi, werd dat ook gehaald in de Maasstreek, vooral in de Langstraat. De prijs van een weiland was in Goirle dan ook veel hoger dan voor een akker. In 1880 bijvoorbeeld werd voor een hectare weiland 2500 Gulden betaald, maar voor een hectare akker slechts 800 Gulden
Verbouwd werden gewassen als boekweit, vlas, rogge, spurrie, gerst, haver, erwten en koolzaad. Aan tuinbouw werd alleen gedaan voor eigen gebruik. Boter en rogge werden naar de markt gebracht, of verkocht aan de dorpsgenoten. Tot rond 1850 werd de os als trekdier gebruikt, maar daarna zien we een snelle toename van het aantal paarden. Als na 1850 de textielnijverheid in Goirle steeds belangrijker wordt en de bevolking toeneemt, groeit de vraag naar agrarische produkten en stijgen de prijzen. 

Toch werden de boeren in Goirle overvleugeld door de fabrikanten, wat onder andere kwam door de recessie voor de Nederlandse akkerbouw, die duurde van ongeveer 1875 tot 1895. Door de invoer van goedkope granen uit Noord-Amerika, Rusland en Argentinië daalden de prijzen van de granen en daardoor gingen veel boeren hun terrein verleggen van de akkerbouw naar de veeteelt. Tussen 1870 en 1890 verdrievoudigde het aantal varkens in Goirle en het aantal stuks pluimvee nam zelfs bijna tot het zevenvoudige toe in die periode. Een belangrijk deel van die groei moet worden toegeschreven aan de aanwezigheid van twee hoenderparken, waar ‘voor den handel wordt geteeld’. [/magz_one_half][magz_one_half_last]

landbouwers-1913
Landbouwers werkzaam op het land in augustus 1913. Op de achtergrond het dorp Goirle.

De landbouwcrisis en de ontwikkelingen daarna dreven de boeren tot samenwerking. Reeds in 1879 werd een veefonds opgericht met een groeiend aantal leden. In de Aloysiuszaal werd op 18 februari 1904, na een lezing door de ‘boerenapostel’ pater Gerlacus van den Elsen, de Goirlese afdeling van de boerenbond opgericht, die in 1909 de beschikking kreeg over een eigen pakhuis aan de Fabriekstraat, waar kunstmest, veevoeder en steenkool aanvankelijk vooral per spoor werden aangevoerd. Door het toenemende gebruik van de kunstmest kon heidegrond van de gemeente gekocht worden voor ontginning en steeg de opbrengst van de akkers.
In 1908 werden door de boerenbond de eerste proefvelden aangelegd aan de Tilburgseweg en in 1910 werd uit deze bond de boerenleenbank geboren.
Na de oprichting werd Willem de Brouwer de eerste kassier. In 1917 werd dat Jan de Brouwerm, alias Jan de Kas, die woonde aan de Abcovenseweg. Na zijn aftreden in 1948 werd hij opgevolgd door A. Schellekens en werd de bank verplaatst naar de Dorpsstraat, waar in 1957 enkele huizen verbouwd werden tot bankgebouw. In 1967 verhuisde de bank naar de Tilburgseweg.
Na 1900 werd steeds minder thuis geboterd, maar ging de melk naar de fabrieken in Tilburg of Riel. Door de ontginningen en de intensievere landbouwmethoden kon het aantal landbouwers in Goirle van 49 in 1903 stijgen naar 83 in 1930. Wel werd het verschil in vermogen tussen de boeren onderling in die jaren groter.
Door het stijgende aantal landbouwers nam ook het aantal boerenorganisaties in die periode toe. In 1922 werd in Goirle de Katholieke Jonge Boerenstand opgericht. De vereniging werd leven ingeblazen door de leden van de zogenaamde ‘oudleerlingenbond’, die was opgericht door de fraters en bestond uit boerenzonen, die, de meestal door de fraters gegeven, landbouwcursussen hadden gevolgd. Van de ‘oudleerlingenbond’ werden ook twee proefvelden overgenomen. De oogst van deze velden werd verkocht aan de leden of aan de boerenbond. Balavonden voor de leden werden door de geestelijkheid verboden, maar wel mocht toneel gespeeld worden, zij het alleen door de mannenafdeling, waarna de r.k. boerentoneelvereniging Onderling Genoegen werd opgericht. De naam Katholieke Jonge Boerenstand werd in 1966 veranderd in Katholieke Plattelands Jongeren, de KPJ.

tiest
Landbouwer Tiest Vermeer gefotografeerd rond 1930 bij zijn ‘biestal’.

Tenslotte werd voor de vrouwen op 5 juni 1929 de r.k. Boerinnenbond opgericht, waarvan Christina Vermeer de eerste voorzitster werd. Doel was de godsdienstige, maatschappelijke en vakkundige ontwikkeling van de leden te bevorderen door lezingen, cursussen en geschriften. Het lidmaatschap stond open voor alle vrouwen en meisjes die een goed katholiek leven leidden, tot de boerenstand gerekend konden worden of landbouwbelangen te behartigen hadden.

Vlak na de Tweede Wereldoorlog waren er in Goirle nog 80 boerenbedrijven, waarvan er 17 kleiner waren dan 5 hectaren, waardoor ze slechts als nevenbedrijf geëxploiteerd konden worden. De bedrijfsgrootte van de andere bedrijven stak gunstig af tegen het Brabantse gemiddelde. Van de Goirlese landbouwers beschikte 46% over 10 tot 20 ha grond. Op de Brabantse zandgronden was dat maar amper 23%. Van ruim 73% van de Brabantse zandboeren was het bedrijf zelfs kleiner. Bovendien was in Goirle 75% van de boeren eigenaar van zijn bedrijf.
Ten opzichte van de totale Goirlese beroepsbevolking bleef het aantal landbouwers echter klein, maar 9,8% was in l947 in de landbouw werkzaam.

In 1968 hadden ruim 60 Goirlese boeren nog 800 ha cultuurgrond in eigendom. Door de grote uitbreidingsplannen verminderde dit aantal binnen tien jaar met 60%, terwijl de beschikbare landbouwgrond werd teruggebracht naar ca. 350 bunders. De boerenstand verdween bijna geheel na de voltooiing van de uitbreidingsplannen De Grobbendonck, De Hellen en de Grote Akkers.

De geschiedenis van Goirle is beknopt beschreven.

De tekst komt uit: Jef van Gils en Ronald Peeters, ‘Een eeuw Goirle 1870-1970′ (Goirle, Boekhandel Soeters, 1992), 200 blz. ISBN 90-801208-1-2 (copyright).[/magz_one_half_last]